Hinderen

9. Hinderen van de tegenstander.

a. Opzettelijk hinderen.

Indien een speler meent dat hij opzettelijk wordt
gehinderd, heeft hij het recht om een "let" te vragen. Het is aan
de scheidsrechter te oordelen of hij inderdaad gehinderd werd.

Als een scheidsrechter zelf "opzettelijk hinderen" bemerkt,
mag hij het punt aan de tegenstander toekennen. In de praktijk zal hij eerst
een waarschuwing geven en het punt laten overspelen.

Voorbeelden van "opzettelijk hinderen":

  • Schreeuwen of wilde bewegingen maken vlak voordat de tegenstander de bal wil slaan.
  • Het onnodig heen en weer springen bij het net (schijnbewegingen zijn wel toegestaan).
  • Het voortdurend terugslaan van de service als de bal duidelijk uit is.

b. Onopzettelijk hinderen.
Voorbeelden hiervan zijn:

  • Een bal die in het speelveld rolt.
  • Een tegenstander die struikelt over de lijn.
  • Een enkelspelpaal die omvalt; etc.

In deze gevallen heeft de speler
die vindt dat hij gehinderd werd, recht op een "let".