Telling

4. Telling.

GAME.
De puntentelling is als volgt: 15 – 30 – 40 – "game" ("spel").
Indien een speler bij de stand "40-40" een punt maakt, komt hij op "voordeel". Maakt hij dan weer een punt, dan wint hij de game. Verliest hij op "voordeel" echter
het punt, dan is het weer "gelijk". *
Voorbeelden van standen: 15-0 ; 30-40 ; 30-15 ; etc. (Degene die serveert wordt
als eerste genoemd).

SET.
Een speler die het eerst 6 games wint, heeft de "set" gewonnen. Wel
moet er een verschil zijn van twee games (behalve bij een tiebreak).
Voorbeelden van setstanden: 6-0 ; 6-4 ; 7-5 ; 8-6 ; 6-3 ; etc.

MATCH.
Een speler die het eerst 2 sets wint, heeft de wedstrijd gewonnen ("best of three").
**
Voorbeelden van uitslagen: 6-0, 6-0 ; 6-3, 6-2 ; 6-4, 5-7, 6-1 ; etc.

* Bij sommige toernooien kan
de wedstrijdleiding beslissen om bij de stand "40-40" het beslissende punt te spelen
("BPS": "Beslissende Punt Systeem").

** Bij sommige heren-toernooien,
bv. op Wimbledon, wordt er gespeeld om drie gewonnen sets ("best of five").